Verfonderzoeker Jaap Boon kijkt naar de schilderijen van Karel Appel, een groot kunstwerk uit 1961 met dikke, grof, pasteus aangebrachte lagen verf. Hij wijst naar geelbruine druppelvorming op een witte verfmassa en zegt „het schilderij traant hier en komt een deel van het oliemedium door de verfhuid naar buiten.”
Vervolgens wijst hij op grotere vlakken met een curieuze, ribbelige huid. Het is korstvorming, onder het vel is een nieuw soort materiaal ontstaan dat niet meer in de verf past en soms ook druipers vormt. Ook wijst hij op verschillende dikke verflagen met een gladde, glimmende huid waar de kwaststreek verdwenen is, omdat de verflaag weer zacht is geworden.
Bij andere expressionistische schilders uit de jaren vijftig zij vergelijkbare problemen te zien, maar toch minder dan bij Appel. Heeft dit wellicht te maken met de werkwijze van Appel?

Appel zette de verf rechtstreeks uit de tube op het doek, dit zou een verklaring kunnen zijn voor het verfverlies op zijn doeken. Maar dit vergt nader onderzoek om de problemen in te dammen. Naast de hechtingsproblemen, het verschijnsel dat het bindmiddel in de schilderijen van Appel soms een eigen leven leidt, de verf lijkt als het ware te smelten.
Wondermiddelen om de veroudering van schilderijen te herstellen bestaan niet, veroudering is een eenrichtingsverkeer. Maar er kunnen voorstellen worden gedaan om de schade te beperken. De klimaatcondities van de museumomgeving kunnen bijvoorbeeld aangepast worden, dit geldt ook voor de depots, waar de kunst vaak ook erg lang verblijft.

MEER NIEUWS >>

 

Delen met: